oudduitse herder fokker



Als pupkoper van een oudduitse herdershond moet u zich ervan bewust zijn
dat heupdysplasie kan voorkomen in de oudduitse herder populatie.


Hieronder 2 artikelen over Heupdysplasie


Heupdysplasie (1)

Wat is Heupdysplasie?
 
Heupdysplasie is een door erfelijke factoren en uitwendige invloeden bepaalde ontwikkelingsstoornis van de heupgewrichten. Met andere woorden een misvorming van de heupen. Sommige honden ondervinden hiervan ernstige hinder. 
Er zijn echter ook honden met meer of minder ernstige misvormingen van de heupgewrichten, die daarvan geen last lijken te hebben. De beoordeling van het gangwerk van deze honden geeft onvoldoende informatie over de toestand van de heupgewrichten. Meer informatie hierover kan worden verkregen met behulp van röntgenfoto's.
 
Heupdysplasie is een vaak voorkomende multifactoriële aandoening van de heup bij de hond. Een aandoening is multifactorieel indien ze veroorzaakt wordt door het samenspel van een genetische (overerfbare) component en omgevingsfactoren. Gekende omgevingsfactoren zijn onder meer voeding, gewicht en beweging.

Heupdysplasie, beter bekend als HD, is gedeeltelijk een erfelijke aandoening. Uit de vele onderzoeken naar deze afwijking blijkt dat uitwendige invloeden zoals groeisnelheid, lichaamsgewicht, beweging, spierontwikkeling en voeding hierbij eveneens een belangrijke rol spelen, zeker gedurende de eerste levensmaanden van de Duitse Herder. Overmatige lichaamsbeweging en toediening van extra kalk aan honden die compleet hondenvoer krijgen, hebben een negatief effect op de ontwikkeling van HD. Bovenstaande geldt ook voor elleboogdysplasie (ED).

Juist bij het fokken van rashonden is het van groot belang om te achterhalen of er aanleg voor HD aanwezig is of niet. De diergeneeskundigen hebben echter ook een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, want HD is een van de meest overgediagnosticeerde en verkeerd gediagnosticeerde aandoeningen.  
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat HD voor 20 tot 30% erfelijk bepaald is. Dit houdt in dat HD voor 70 tot 80% niet erfelijk bepaald is, dus wordt bepaald door omgevingsfactoren.

Er zijn verschillende gradaties:                 
                 HD A.  (= negatief) Röntgenologisch vrij van heupdysplasie  
                 HD B.  (= overgangsvorm) Röntgenologisch geringe afwijkingen, niet aan fokkerij toe te kennen  
                 HD C.  (= licht positief) Röntgenologisch afwijkingen aanwezig  
                 HD D.  (= positief) Röntgenologisch duidelijke afwijkingen aanwezig  
                 HD E.  (= positief in optima forma)  Röntgenologisch ernstig misvormd. 

 
De uitslag geeft echter alleen uitsluitsel over de aanwezigheid van HD bij de hond , maar geeft niet aan of de hond drager is van de afwijking. 
 
En dat is nu het punt wat zeer belangrijk is: de erfelijkheid van HD moet in de generaties daarvoor worden bekeken. Een HD vrije hond ( negatief) gekruist met een HD vrije hond (negatief) geeft dus zeker niet de garantie dat de pups ook HD vrij zijn.  
We zullen hier niet te diep op deze materie ingaan , maar het kan ook andersom gebeuren.  
2 x HD ++ kan een negatieve hond geven, maar deze is dan zeker drager van een HD erfelijke afwijking.

Het is uiteraard aan te bevelen alleen met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen (pups) het kleinst is, maar: 

dat is niet bij elk ras mogelijk (weinig beschikbaar fokmateriaal!);

dat geeft geen garantie voor HD-vrije pups.

In de fokkerij van rashonden moet ook rekening gehouden worden met andere erfelijke stoornissen en met speciale ras- en gedragskenmerken. Bij sommige rassen waarin HD vaak voorkomt en bij rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn is het daardoor helaas niet altijd mogelijk uitsluitend met HD-vrije honden te fokken.  
Door de invloed van uitwendige factoren op het ontstaan van HD is de mate van verandering aan de heupgewrichten niet altijd een goede maat voor de erfelijke status van de hond voor wat betreft HD.  
Zelfs wanneer een hond vrij is van HD wil dat nog niet zeggen dat de hond geen erfelijke factoren in zich kan hebben en kan door geven aan zijn of haar nageslacht. Dit wetende kan men dan ook niet zonder meer in alle gevallen de fokker aansprakelijk stellen wanneer een gekochte pup later HD blijkt te hebben.  

 

Heupdysplasie (2)

Inleiding
Heupdysplasie is één van de meest voorkomende onderwerpen als men spreekt over erfelijke aandoeningen. Er zijn veel meningen maar ook veel misvattingen over HD, hetgeen de behandeling van het onderwerp er hd11niet gemakkelijker op maakt. Deze misvattingen zijn hoogstwaarschijnlijk te wijten aan het feit dat heupdysplasie een erfelijke aandoening is, maar dat naast de erfelijke aanleg die een hond kan hebben voor HD er ook een grote omgevingsinvloed is op het zich ontwikkelen van de afwijking en op de mate waarin het dier eraan lijdt. Het ontstaan van heupdysplasie
Een pup wordt met normale (nog niet ontwikkelde) heupen geboren en de aandoening ontwikkelt zich tijdens de groei. Het heupgewricht is een kogelgewricht; de heup bestaat uit de kop (Caput femoris) van het dijbeen die kan draaien in de heupkom (acetabulum), de gewrichtsbanden, het gewrichtskapsel en de omliggende spieren. Het heupgewricht vormt de verbinding tussen de achterbenen en het bekken. Bij normale gezonde heupen zit de kop stevig vast in de voldoende diepe heupkom. Beide delen zijn bekleed met wit en glad kraakbeen. Om het kraakbeen van beide delen goed om elkaar heen te laten glijden zijn de oppervlakken bedekt met een kleine hoeveelheid gewrichtsvocht. Deze vloeistof dient als smeermiddel en als voedingsbron voor het gewricht. De kop en de kom worden stevig op hun plaats gehouden door het gewrichtskapsel, de gewrichtsbanden en door de spieren van de achterhand. Bij een hond met aanleg voor HD is er sprake van te veel speling in het gewricht, waarbij het gewrichtskapsel en de omliggende banden onvoldoende stevigheid en steun geven. Door deze speling krijgt de opgroeiende hond geleidelijk aan een afwijkende groei en vorming van het heupgewricht. Een afgevlakte kop en een ondiepe kom zijn daarvan het gevolg. Dit veroorzaakt opnieuw meer speling aangezien de kop en de kom steeds slechter in elkaar gaan passen en heeft een overmatige slijtage (arthrose) van het gewricht tot gevolg.

De klachten
hd12Niet alle honden met HD zullen klachten ontwikkelen of verschijnselen vertonen. Of en hoeveel klachten er zullen ontstaan is van verschillende factoren afhankelijk. Allereerst is daar de ernst van de gewrichtsverandering (vervorming); ook de leeftijd van de hond kan meespelen of de mate van beweging en bespiering. Ook de individuele pijngevoeligheid is bij iedere hond anders. Er bestaan verschillende gradaties in de pijn en evenzoveel gradaties in de last die de hond daarvan ondervindt. Bij ernstige afwijkingen kunnen zeer jonge honden tussen de vier en zeven maanden al te maken krijgen met pijnlijke misvormingen, mede bepaald door omgevingsinvloeden. De pijn wordt veroorzaakt door minuscule breukjes in het heupgewricht en scheurtjes in het gewrichtskapsel. Door de ontstekingen die optreden wordt het kapsel geleidelijk aan dikker en de speling wordt daardoor minder. Vanwege de pijn zullen de meeste honden meer rust nemen zodat de schade aan de heupen zich tijdelijk kan herstellen. Misvorming en overmatige slijtage (arthrose) kunnen echter nooit meer ongedaan gemaakt worden en het verdwijnen van de klachten is over het algemeen van tijdelijke aard. De meeste honden die op jonge leeftijd klachten (gehad) hebben krijgen na verloop van tijd weer klachten

Omgevingsinvloeden
Dat heupdysplasie een erfelijke aandoening is, weet inmiddels iedereen. Daar bestaat geen twijfel over. Hoe deze aandoening nu precies vererft is een ingewikkelder zaak; daarover zijn de meningen nog steeds verdeeld, hoewel men aanneemt dat het een polygenetische vererving betreft (een vererving waarbij vele genen betrokken zijn). Ook is men er steeds meer van overtuigd dat de mate van erfelijkheid minder is dan in eerste instantie is gedacht en de omgevingsinvloeden veel zwaarder wegen dan aanvankelijk wordt aangenomen. Onder omgevingsinvloeden verstaan we:
1: Voeding: verkeerde voeding, dat wil zeggen het percentage calcium/energie per gram voer, te dikke honden.
2: Beweging: gladde vloeren, ruw spel of te veel spelen met andere honden, het gooien met ballen of stokken waardoor de jonge hond gaat afremmen en vreemde draaien en sprongen maakt..

Een pup moet dus een erfelijke aanleg hebben om HD te kunnen ontwikkelen, maar de omgevingsinvloeden zijn van groot belang voor de mate waarin de jonge hond HD zal ontwikkelen. Onder correcte beweging verstaan we zoveel mogelijk rechtlijnige bewegingen. Geen overdadig ruw spel met volwassen honden en/of leeftijdsgenootjes. Balletjes en stokken gooien waar de jonge hond achteraan rent, afremt en rare draaien gaat maken zijn funest voor de ontwikkeling van de heupgewrichten. Met rustig wandelen en de duur van de wandeling geleidelijk aan opvoeren (ongeveer 1 minuut voor elke week dat de pup oud is) behaalt men de beste resultaten. Moe is goed, oververmoeid beslist niet.
Uit onderzoek is gebleken dat het optreden en de ernst van HD kan worden verminderd door de groeisnelheid van de pup te beperken. Dit kan door er voor te zorgen dat de voedselopname voor een gezonde groei wordt beperkt tot het noodzakelijke. Hoogwaardig, commercieel hondenvoer, zonder eigen toevoegingen van kalk of vitaminen, is daarvoor het meest geschikt. Het lijkt erop dat het verstrekken van teveel kalk en vitaminen een ongunstige invloed heeft op het ziekteproces ( zie % Calcium/energie per gram voer) en meer ook kans geeft op andere orthopedische problemen. Het is inmiddels bewezen dat zware en te dikke pups meer aanleg hebben voor het ontwikkelen van HD dan minder zware, die perfect op gewicht zijn; liever iets aan de schrale kant dan aan de dikke kant.

Bron: http://www.bdcn.nl/